Bijlage XII. Opleidingsovereenkomst

In die gevallen waarin de opleider of het opleidingsinstituut geen verplichtingen krachtens de cao kunnen worden opgelegd, verplicht de instelling zich te bevorderen dat tussen de instelling, de leerling en bedoelde opleider of het opleidingsinstituut een opleidingsovereenkomst tot stand komt. Als zodanig worden aangemerkt:

  • De beroepspraktijkvormingsovereenkomst in het kader van de duale opleidingen tot verpleegkundige, BBL verzorgende (IG) en helpende, met inachtneming van de bepalingen in de Wet Educatie en Beroepsonderwijs en/of landelijke afspraken in de vorm van een modelregeling ten aanzien van de duale HBO opleiding;
  • De modelregeling betreffende de relaties tussen de artsen in opleiding tot specialist, de specialist-opleider en de instelling in het kader van de opleiding tot specialist.

In deze overeenkomst dienen bepalingen omtrent de navolgende onderwerpen te zijn opgenomen:

  1. De verplichting van de opleider dan wel de instelling om de leerling op te leiden en te begeleiden;
  2. De verplichting van de leerling om de - in het kader van de opleiding gegeven - opdrachten uit te voeren, met inachtneming van de eigen verantwoordelijkheid;
  3. Het begin en einde van de opleidingsovereenkomst;
  4. De gronden en de wijze waarop de opleidingsovereenkomst kan worden beëindigd;
  5. De geschillenregeling ter zake van de opleiding;
  6. De bepaling, dat de opleidingsovereenkomst niet in strijd kan zijn met de arbeidsovereenkomst;
  7. De relatie tussen het beëindigen van de opleidingsovereenkomst en de arbeidsovereenkomst;
  8. De regeling van de verantwoordelijkheid en de aansprakelijkheid van de leerling, zowel als van de opleider c.q. de instelling;
  9. Voorzover niet elders geregeld, de verhouding tussen arbeid en studie;
  10. Regeling van de kosten van de opleiding;
  11. De bepaling dat wanneer een opleidingsovereenkomst is vastgesteld deze een integraal onderdeel uitmaakt van de arbeidsovereenkomst.