Cao preambule

Collectieve Arbeidsovereenkomst Geestelijke Gezondheidszorg
(van 01-03-2017 tot 01-06-2019)

Tussen de ondergetekenden,

I. de Vereniging GGZ Nederland

en

II. de volgende organisaties van werknemers:

FNV;

CNV Zorg & Welzijn, onderdeel van CNV Connectief;

FBZ: Federatie van Beroepsorganisaties in de Zorg en daaraan gerelateerd onderwijs en onderzoek, te weten:

  • Landelijke vereniging van Artsen in Dienstverband (LAD);
  • Nederlands Instituut van Psychologen (NIP);
  • Vereniging van Geestelijk Verzorgers in Zorginstellingen (VGVZ);
  • Nederlandse Vereniging van Pedagogen en Onderwijskundigen (NVO);
  • Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie (KNGF);
  • Nederlandse Vereniging voor Psychomotorische Therapie (NVPMT);
  • Nederlandse Vereniging voor Logopedie en Foniatrie, sectie Gezondheidszorg (NVLF);
  • Ergotherapie Nederland (EN);
  • Nederlandse Vereniging van Diëtisten (NVD);
  • Vereniging Hoger Personeel in de Zorg (VHP-Zorg);
  • Nederlandse Vereniging voor Beeldende Therapie (NVBT);
  • Nederlandse Vereniging voor Danstherapie (NVDAT);
  • Nederlandse Vereniging voor Dramatherapie (NVDT);
  • Nederlandse Vereniging voor Muziektherapie (NVvMT);
  • Nederlandse Vereniging voor Psychomotorische Kindertherapie (NVPMKT);
  • Nederlandse Vereniging van Mondhygiënisten (NVM);
  • Vereniging van Oefentherapeuten Cesar en Mensendieck (VvOCM);
  • Nederlandse Associatie van Physician Assistants (NAPA);
  • Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers (NVZA);
  • Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde (KNMT).

NU '91, Beroepsorganisatie voor de Verpleging en Verzorging,
tevens vertegenwoordiger van:

  • Nederlandse Vereniging van Laboranten Klinische Neurofysiologie (NVLKNF);
  • Beroepsvereniging voor Diabetesverpleegkundigen (EADV);
  • Nederlandse Hartfunctie Vereniging (NHV)
  • Nederlandse Vereniging voor Hart en Vaat Verpleegkundigen (NVHVV).

hierna te noemen partijen bij deze cao, is een collectieve arbeidsovereenkomst, hierna te noemen cao, aangegaan.

Partijen zijn het navolgende overeengekomen:

Inleiding:

Cao-partijen hechten grote waarde aan duurzame arbeidsrelaties met aandacht voor blijvend gezond werken - mentaal en fysiek- en voor werkplezier. Vanuit deze centrale gedachte hebben cao-partijen onderhandeld over een nieuwe CAO GGZ.

Een andere manier van werken door de ambulantisering in de ggz en een nauwere samenwerking in het sociale domein, zijn belangrijke ontwikkelingen in de sector. Naast deze inhoudelijke veranderingen in de ggz is sprake van een toegenomen regeldruk. Dit heeft in de afgelopen periode veel gevergd van medewerkers in de ggz. De sector werkt op alle terreinen hard aan het terugdringen van de regeldruk, ook binnen de cao. Deze ontwikkelingen vragen om aanpassingen van de cao, zodat de ggz een aantrekkelijke sector blijft om in te werken. Dit vraagt ook om investering in mensen. Werkgevers en werknemers hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid om de komende tijd te investeren in kwaliteit en professionaliteit.

De gezamenlijke uitgangspunten van cao-partijen voor goed en aantrekkelijk werkgeverschap in de context van de huidige ontwikkelingen in de sector, hebben voor de nieuwe cao tot afspraken geleid over:

  • Beloning, inclusief een regeling voor de “pensioenaftopping” en een tegemoetkoming voor de ORT-problematiek over vakantie-uren
  • Onderzoek naar gezonde roosters en belastende diensten
  • Scholing en duurzame inzetbaarheid
  • Terugdringen van regel- en werkdruk
  • Vergroten van arbeidsmobiliteit (beperking salarisgaranties en afbouwregeling ORT)
  • Vereenvoudiging: verbeteren leesbaarheid van de cao


Loon:

  • Per 01-07-2017 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,35%.
  • Per 01-07-2018 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,60%.
  • Per 01-12-2017 wordt de eindejaarsuitkering met 0,30% verhoogd van 7,75% naar 8,05%.
  • Per 01-12-2018 wordt de eindejaarsuitkering verhoogd met 0,28% naar 8,33%, dat wil zeggen naar een volledige 13e maand.
  • In oktober 2017 wordt een eenmalige uitkering toegekend van 0,25% van twaalf maal het op 1 oktober 2017 geldende salaris aan de werknemer die op 1 oktober in dienst is van de werkgever. Voor de werknemer die in de periode van 1 januari 2017 tot en met 30 september 2017 in deeltijd heeft gewerkt, of een deel van die periode in dienst is geweest, en/of onbetaald verlof heeft genoten, vindt een berekening naar evenredigheid plaats.
  • In oktober 2018 wordt een eenmalige uitkering toegekend van 0,25% van twaalf maal het op 1 oktober 2018 geldende salaris aan de werknemer die op 1 oktober in dienst is van de werkgever. Voor de werknemer die in de periode van 1 januari 2018 tot en met 30 september 2018 in deeltijd heeft gewerkt, of een deel van die periode in dienst is geweest, en/of onbetaald verlof heeft genoten, vindt een berekening naar evenredigheid plaats.


Uitkering in verband met onzekerheid ORT over vakantie in het verleden:

Naar aanleiding van een Europese uitspraak is er onduidelijkheid en verschil van inzicht over het mogelijke recht op onregelmatigheidstoeslag over vakantie-uren met terugwerkende kracht. Om geschillen en rechtszaken te voorkomen hebben partijen afgesproken om de medewerker die in de periode 1 januari 2013 tot 1 juli 2015 op onregelmatige tijdstippen heeft gewerkt, een eenmalige uitkering te geven. Het betreft geen onregelmatigheidstoeslag of compensatie van mogelijk ten onrechte niet uitgekeerde onregelmatigheidstoeslag (ORT) over vakantie-uren gedurende deze periode, maar een financiële tegemoetkoming in de vorm van driemaal een eenmalige uitkering, teneinde (onnodige) rechtszaken te voorkomen. Bij de vaststelling van de financiële tegemoetkoming wordt zo veel mogelijk aangesloten bij het verdiende ORT-bedrag in een bepaald kalenderjaar.

De tegemoetkoming wordt als volgt toegepast:

  • De medewerker ontvangt bij de betaling van het salaris in de maand oktober 2017 een eenmalige uitkering ter hoogte van 8,8% (= 166 / 1878) van het verdiende ORT-bedrag over het kalenderjaar 2013.
  • De medewerker ontvangt bij de betaling van het salaris in de maand oktober 2018 een eenmalige uitkering ter hoogte van 8,8% van het verdiende ORT-bedrag over het kalenderjaar 2014.
  • De medewerker ontvangt bij de betaling van het salaris in de maand maart 2019 een eenmalige uitkering ter hoogte van 8,8% van het verdiende ORT-bedrag over de eerste 6 maanden van 2015.

Deze eenmalige uitkeringen kwalificeren volgens cao-partijen niet als ORT in de zin van de pensioenregeling van PFZW en zijn dus niet pensioengevend.

De werknemersorganisaties aan de cao-tafel hebben aangegeven deze tegemoetkoming als volledig en reëel te beoordelen. Cao-partijen zijn derhalve van mening dat met deze afspraak de discussie over het recht op ORT met terugwerkende kracht, wordt beslecht en de noodzaak tot het voeren van rechtszaken eindigt en dragen dit in hun uitingen naar hun leden actief en positief uit.

De medewerker die geen gebruik wenst te maken van de tussen cao-partijen overeengekomen schikking en derhalve wenst af te zien van het ontvangen van de eenmalige uitkeringen, dient dit vóór 1 september 2017 bij zijn werkgever schriftelijk kenbaar te maken. Met het aanvaarden van de eerste eenmalige uitkering ziet de medewerker af van een ORT-claim over de periode vóór 1 juli 2015.

Deze afspraak is niet van toepassing op de medewerker die reeds een compensatie met betrekking tot ORT over vakantie-uren over de periode vóór 1 juli 2015 heeft ontvangen.

Pensioenaftopping:

Met ingang van 1 januari 2017 ontvangt iedere medewerker die ten gevolge van de Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioenen en maximering pensioengevend inkomen (Wet van 2 juni 2014, Stb. 2014 , nr 196) niet meer over het volledige inkomen fiscaal gefaciliteerd pensioen opbouwt bij het pensioenfonds PFZW, een structurele maandelijkse bruto toelage. De toelage bestaat uit het werkgeversdeel van de pensioenpremie (thans 11,75%) dat wordt berekend over het inkomensdeel waarover ten gevolge van deze wet geen pensioen meer mag worden opgebouwd.

Partijen spreken daarbij af dat zodra wetgeving in werking treedt die verdere aftopping van het pensioengevend inkomen tot gevolg heeft, partijen opnieuw met elkaar in onderhandeling treden teneinde een passende regeling met elkaar te treffen die hiervoor in de plaats treedt.

De werknemers die tussen 1 januari 2017 en de ingangsdatum van de cao uit dienst zijn getreden, ontvangen deze bruto toelage tot datum uitdiensttreding.

Studieafspraken:

  • Onderzoek naar gezonde roosters en belastende diensten

Het O&O Fonds GGZ doet onderzoek naar gezonde roosters binnen de GGZ en hoe om te gaan met belastende diensten binnen de context van de ontwikkelingen in de GGZ en de samenleving. Daarnaast ontwikkelt het O&O Fonds GGZ een checklist op basis waarvan roosteraars en werknemers hun rooster kunnen toetsen op aspecten van gezondheid en duurzaamheid. De checklist roosterkenmerken MSD vormt hierbij het startpunt.

  • Generatiebeleid

Met generatiebeleid wordt beoogd dat jonge medewerkers kunnen instromen of een groter vast contract kunnen krijgen doordat oudere medewerkers minder gaan werken om op gezonde wijze de AOW-gerechtigde leeftijd te kunnen halen. Cao-partijen staan positief tegenover de mogelijkheden die generatiebeleid kan bieden. Daarom geven partijen het O&O Fonds GGZ de opdracht om de mogelijkheden van generatiebeleid in de ggz te onderzoeken.

Scholing en duurzame inzetbaarheid:

Cao-partijen hebben afgesproken H11D Studiekosten en –verlof te wijzigen naar H11D Scholing en duurzame inzetbaarheid.

Ambitie

De ggz hecht grote waarde aan duurzame arbeidsrelaties met aandacht voor blijvend gezond werken, zowel mentaal (werkbeleving) als fysiek. Het resultaat van een organisatie is immers in grote mate afhankelijk van de werknemers. Dit vraagt om investeringen gericht op duurzame inzetbaarheid van werknemers.

Veranderingen in het sociale domein, verdergaande ambulantisering, samenwerking in (wijk)teams en technologische ontwikkelingen (e-Health) zijn ontwikkelingen die om meer investering in na-, bij- en opscholing van werknemers vragen. Dit leidt tot een scholingsbehoefte die verder gaat dan functiegerichte (bij)scholing. Het gaat om permanent leren, gericht op duurzame inzetbaarheid van werknemers. Om van blijvende waarde op de arbeidsmarkt te zijn, is het belangrijk dat werknemers zich blijvend ontwikkelen.

Duurzame inzetbaarheid is een gedeelde verantwoordelijkheid van werkgever en werknemer. De werkgever faciliteert, de werknemer heeft de verantwoordelijkheid van deze faciliteiten gebruik te maken en zich actief in te spannen voor zijn duurzame inzetbaarheid. Dit leidt tot de uitgangspunten voor scholing en duurzame inzetbaarheid in H11D.

Regel- en werkdruk:

Binnen de ggz-sector wordt een grote diversiteit aan dienstverlening en zorg geboden, variërend van begeleid wonen tot topklinische ggz. Elk vanuit verschillende stelsels gefinancierd: Zvw, Wlz, Wmo, Jeugdwet en het ministerie van Veiligheid en Justitie. Naast zorgverzekeraars en het ministerie van VenJ, zijn gemeenten een belangrijke inkopende partij geworden. Alle inkopende partijen stellen hun eigen eisen aan kwaliteit, controle en verantwoording, wat tot een grote administratieve lastendruk (regeldruk) leidt. Voor de werknemers in de ggz-sector is dit een factor die een negatieve invloed heeft op de ervaren werkdruk en het ondermijnt het werkplezier.

Deze externe regeldruk is van directe invloed op de interne regeldruk, wat het gevoel bij werknemers versterkt dat er onevenredig veel tijd aan administratieve taken besteed wordt. Daarnaast worden door werknemers ook aspecten als druk op de personele bezetting en automatiseringssystemen als belemmerende factoren genoemd om het werk naar behoren uit te kunnen voeren. Cao-partijen onderschrijven de noodzaak voor aanpak en vermindering van regel- en werkdruk. Hiervoor maken cao-partijen concreet de volgende afspraken:

  • Terugdringen van de externe regeldruk vraagt een sterke lobby richting de politiek en overleg met VWS, zorgverzekeraars en gemeenten (zie het project Het Roer Moet Om). Waar mogelijk trekken sociale partners hierin gezamenlijk op;
  • Instellingen worden gestimuleerd om hun eigen verantwoordelijkheid te nemen in het terugdringen van de regel- en/of werkdruk. Het O&O-fonds GGZ krijgt hierbij een faciliterende en aanjagende rol in het ontwikkelen en aanbieden van beschikbaar materiaal en methoden;
  • Voor het realiseren van effectieve maatregelen voor het terugdringen van regel– en/of werkdruk is het belangrijk dat de betrokkenheid uit alle lagen in de organisatie gewaarborgd is. Cao-partijen stimuleren daarom dat gedurende de looptijd van deze cao werkgever én ondernemingsraad zich actief inspannen voor een eigen aanpak om de regel– en/of werkdruk te verlagen. De invulling zal per instelling verschillen; de oorzaken van en ervaringen met regel– en/of werkdruk lopen sterk uiteen en vragen om maatwerk. Daartoe zal de instelling uiterlijk 1 juli 2018 met de ondernemingsraad een plan hebben opgesteld om deze regel– en/of werkdruk te verminderen;
  • Bij het terugdringen van de werk– en regeldruk is actieve betrokkenheid van de werkvloer en het management essentieel. Ondernemingsraden krijgen daarom een actieve rol in het stimuleren van werknemers hoe zij zelf een bijdrage kunnen leveren.


Salarisgaranties als gevolg van FWG 3.0:

Cao-partijen hebben afgesproken aan H7B, artikel 4 een lid 4 toe te voegen.

Afbouwregeling ORT:

Cao-partijen hebben besloten lid 2 van de afbouwregeling ORT (H10B, artikel 5) aan te passen.

Vereenvoudiging van de cao ggz:

In een gezamenlijk streven om te komen tot vereenvoudiging van de cao ggz, hebben cao-partijen afgesproken de volgende artikelen te schrappen:

  • H6, artikel 6 Verschoven diensten, lid 2
  • H7B, artikel 13 Bijdragen kost en inwoning, lid 1
  • H11B Verhuiskosten
  • H11C Voorgeschreven kleding

Hiernaast hebben cao-partijen afgesproken om onder begeleiding van AWVN een project te starten met als doel de toegankelijkheid en de leesbaarheid van de cao te vergroten. Hiervoor wordt de CAO GGZ in zijn geheel gescreend op leesbaarheid en eenduidige interpretatie.

Overige punten:

Cao-partijen hebben daarnaast afspraken gemaakt over de volgende punten:

  • Activeringsregeling: aan H13A, artikel 7 – lid 1 worden aan het einde van dit eerste lid de volgende zinnen toegevoegd: De vermindering van deze inkomsten op de WW-aanvulling kan slechts plaatsvinden indien deze inkomsten hoger zijn dan de hoogte van de te ontvangen WW-uitkering. De inkomsten worden eerst gekort op de WW-uitkering. De resterende inkomsten worden gekort op de aanvulling op de WW-uitkering.
  • Opzegtermijn (H2, artikel 5): aan H2, artikel 5 – lid 2 wordt aan de laatste zin toegevoegd: tenzij de wettelijke opzegtermijn voor de werkgever langer is dan de afgesproken opzegtermijn. In dit geval geldt de wettelijke opzegtermijn.
  • Doorbetaling 100% salaris bij therapeutisch werk (H9D, artikel 2 – lid 2): nieuw lid 3 in H9D, artikel 2 invoegen en hernummering huidige leden 3 t/m 9 (huidige lid 3 wordt lid 4 enzovoort).
    Nieuw lid 3 --> Over de uren waarin de werknemer volgens zijn re-integratieplan werkzaamheden op arbeidstherapeutische basis verricht, ontvangt hij 100% van het naar tijdsruimte vastgestelde loon.
  • 3e WW-jaar: cao-partijen spreken af dat dit onderwerp terugkomt in het SOGGZ.
  • Partijen hebben verschillende tekstuele/technische wijzigingen gedaan. Deze worden in de nieuwe CAO GGZ verwerkt.
  • Een aanvraag tot algemeen verbindend verklaring bij het ministerie van SZW te doen.