21-01-2010 ‘Investeren in herstelondersteuning loont!’
Herstelondersteunende zorg is effectief op alle fronten. Het verhoogt het mentaal welbevinden van mensen met een psychische stoornis, leidt tot vermindering van hun zorgconsumptie en verbetert hun maatschappelijke zelfstandigheid. Begin februari presenteert rehabilitatiedeskundige drs. Hanneke Henkens van GGZ Eindhoven deze resultaten van een maatschappelijke businesscase over de effecten van herstelondersteuning.
Ter aanvulling op de bestaande zorg investeren steeds meer ggz-instellingen in herstelondersteuning aan mensen met chronische psychiatrische problematiek. Met behulp van getrainde ervaringsdeskundigen gaan cliënten hierbij met elkaar op zoek naar bronnen van kracht, hoop en inspiratie om zo een nieuw beeld van zichzelf en van hun eigen mogelijkheden te ontwikkelen.
GGZ Eindhoven biedt inmiddels meerdere vormen van herstelondersteuning aan. In zogeheten ‘bouwgroepen’ worden bijvoorbeeld ervaringen uitgewisseld, waarbij de deelnemers elkaar voorzien van allerlei praktische tips. Daarnaast brengen ervaringsdeskundigen ook huisbezoeken aan mensen met ernstige psychische problematiek om oplossingen te vinden voor problemen waar zij door hun ziekte tegenaan lopen. Deze nieuwe zorgvormen leiden vaak tot onverwachte eyeopeners en onvermoede perspectieven.
Kosten-/batenanalyse
“Door de focus op herstel en empowerment ontdekken deze mensen hun eigen kracht en krijgen zij meer regie over hun eigen bestaan”, vat Hanneke Henkens – projectleider maatschappelijke steunsystemen en ervaringsdeskundigheid – samen.
Om na te gaan wat deze nieuwe aanpak oplevert, maakte zij het afgelopen jaar een maatschappelijke businesscase met een kosten-/batenanalyse van herstelondersteuning. De universiteit van Tilburg voerde een ‘hard’ wetenschappelijk onderzoek uit waarbij de ervaringen van 165 deelnemers aan herstelondersteuning werden vergeleken met die van een controlegroep.
Uit deze studie blijkt dat de experimentele groep cliënten steevast hoger scoort wat betreft empowerment, hoop, kwaliteit van leven, zelfvertrouwen en gezondheid. Daarnaast blijkt bij mensen die gaan werken als ervaringsdeskundige de zorgconsumptie drastisch af te nemen. “Het gaat weliswaar om een relatief kleine onderzoekspopulatie”, erkent Henkens. “Maar als deze resultaten inderdaad gelden voor een veel grotere groep, kan dat leiden tot enorme besparingen op zorgkosten”, constateert Henkens.
Besparen op uitkeringen
Ook op het terrein van sociale uitkeringen zijn volgens Henkens interessante besparingen mogelijk. Cliënten die zich laten opleiden tot ervaringsdeskundige kunnen namelijk voor een deel hun eigen inkomsten gaan genereren door aan de slag te gaan bij een ggz-instelling of gemeente. Voor deze cliënten biedt GGZE inmiddels in samenwerking een erkende MBO- en HBO-opleiding aan.
Dat herstelondersteuning zo op alle fronten ‘winst’ oplevert, is goed nieuws voor alle stakeholders die bij herstelondersteuning betrokken zijn: allereerst natuurlijk voor de zorgaanbieders en hulpverleners zelf, maar daarnaast ook voor zorgverzekeraars, gemeenten en uitkeringsinstanties. Op basis van de resultaten van dit onderzoek kan de ggz nu alles op alles zetten om het ‘product herstelondersteuning’ te gaan vermarkten. Maar wat zijn daarbij kritische succesfactoren?
Kwaliteitsbewaking
“De kwaliteit van de ervaringsdeskundigen dient goed te worden bewaakt”, benadrukt Henkens. “Hierbij gaat het vooral om de inhoudelijke kwaliteit van het onderwijs en de begeleiding, zodat cliënten leren hoe zij hun ervaring professioneel kunnen inzetten bij de hulp aan lotgenoten. Cliënten moeten hiervoor in elk geval voldoende gevorderd zijn in hun individuele herstelproces en daarop kunnen reflecteren. En dat is iets waartoe niet iedereen in staat is.”
Deze nadruk op kwaliteit is vooral van belang omdat er veel belangstelling is voor herstelondersteuning. Hierdoor is de kans groot dat de vraag naar goed geschoolde ervaringsdeskundigen de komende tijd sterk zal stijgen.
Andere accenten
De pijlers en perspectieven van herstelondersteuning verschillen nogal van die van de reguliere hulpverlening. Een tweede succesfactor betreft daarom de attitude van professionele hulpverleners. In hoeverre willen en kunnen zij open staan voor deze nieuwe benadering, waarbij het accent veel meer ligt bij professionele nabijheid dan bij professionele distantie?
Henkens: “Het zou mooi zijn als met deze aanpak de hoop en de passie in de reguliere zorg terugkeert. Daarom hoop ik dat hulpverleners onderkennen dat er ook andere mogelijkheden zijn om het herstel van cliënten te bevorderen en te ondersteunen.”