Enkele gedachten bij een middag rond de documentaire ‘Doodzonde’

Over het belang van het samenwerken met familie/naasten bij het voorkomen van zelfmoord.

Onlangs las ik de roman So Much life Left Over, van Louis de Berniéres, een familiekroniek die zich afspeelt in de eerste helft van de twintigste eeuw. Een van de centrale personages is Daniel, een vliegenier wiens levensloop hem langzaam naar de rand van de afgrond drijft. Met name één passage greep me naar de keel en liet me niet meer los.

´Ik zou niet dáár springen, als ik jou was´. Wíe dit zegt, weet Daniel dan nog niet. Maar de woorden hebben precies de juiste intensiteit om een kier te maken in zijn wanhoop. Het bericht van de dood van zijn oudste dochter, omgekomen op een door een torpedo tot zinken gebracht hospitaalschip, had die al jaren aangroeiende wanhoop ineens ondraaglijk groot gemaakt. Hij wilde niet verder, en stond op het punt zich van een klif te storten. En dan hoort hij plotseling iemand zeggen: ´Ik zou niet dáár springen, als ik jou was´. Niet daar. En uiteindelijk – maar dat is vele uren praten, luisteren, wikken, wegen en aandacht later – helemaal niet. Want er blijkt toch zoveel leven over.

Het verhaal wil dat de man die Daniel op andere gedachten brengt, een aalmoezenier, tot zijn bemoeienis werd gedreven door compassie: ´Ik had geen keus. Ik móest tussenbeide komen. Ik voelde de pijn en ik wilde die pijn stoppen, in jou maar evenzeer in mezelf´. Dat gevoel is herkenbaar. Voor velen van u hier in de zaal, voor ieder die dicht bij iemand is geweest die zich van het leven wilde beroven of beroofde. Maar de vraag is wat we daadwerkelijk kunnen doen om die pijn te stoppen.

Tot een jaar of tien geleden bleven wij in het zoeken naar een antwoord op die vraag maar al te vaak steken. Wij, burgers van Nederland die iemand aan zelfmoord verloren, konden er niet bij, konden niet dichtbij genoeg komen. Wij, zorgverleners, die geneigd waren te denken “ik heb geholpen, het hielp niet, dus niets helpt”. Wij, de overheid, die het probleem heel lang over het hoofd zag in de veronderstelling “dat het wel meeviel”.

Maar er is iets veranderd, radicaal veranderd. We zijn ons er – als samenleving - bewust van geworden dat achter iedere zelfmoord een wereld van groot en radeloos verdriet schuilgaat, en dat iedere zelfmoord en één te veel is. En juist dat gegroeide bewustzijn maakt dat we ieder jaar opnieuw hevig schrikken van het aantal mensen dat zich van het leven berooft. 1917 in 2018, onder wie een groeiende groep jongeren. En wat ook veranderd is, radicaal veranderd, is dat steeds minder mensen, steeds minder zorgverleners – óók in de ggz – de bocht nemen dat niets helpt. Veel vaker zeggen mensen nu: “Ik wilde helpen, het heeft niet geholpen, dus dít hielp niet. Maar wat wél?”

Wat helpt wél? Welke vorm van aandacht, en van wie, kan iemand die in zijn eigen afgrond kijkt wél bereiken? Wat kunnen familie en vrienden doen, welke handvatten hebben zorgverleners? En hoe kunnen we er met elkaar voor zorgen dat dat getal van 1917 omlaag gaat? Wat kunnen we doen in een streven naar Zero Suïcide?

Die omkering in ons denken, en het veranderde perspectief op onze mogelijkheden om wel degelijk iets te doen wat helpt hebben we in Nederland niet in de laatste plaats te danken aan  psychiater Jan Mokkenstorm en de door hem in het leven geroepen zelfmoordpreventielijn 113. En al heeft het in de beleving van sommigen even geduurd, ik ben erg blij met de brede steun van de leden van GGZ Nederland – afgelopen najaar tijdens een Algemene Ledenvergadering bekrachtigd - voor het streven om te komen tot nul zelfmoorden. We willen meewerken aan een land waarin niemand radeloos en eenzaam sterft door eigen toedoen.

Iedereen, ook de leden van GGZ Nederland, realiseert zich dat dit een ambitie is die veel van ons vraagt. Het vraagt, bijvoorbeeld, een veranderd perspectief op de plek van de zorgverlener – geen professionele distantie, maar professionele nabijheid. En het vraagt om een andere bejegening van familie en naasten. Het moet vanzelfsprekend worden dat zorgverleners en familie/naasten met elkaar samenwerken. Ook zij moeten meedenken over, meewerken aan en meedoen in het herstelproces. Het is van grote betekenis dat de rol van familie en naasten helder beschreven staat in de generieke module Diagnostiek en behandeling van suïcidaal gedrag. En het is van nog groter belang dat deze richtlijn ook in praktijk wordt gebracht. Ik dank op deze plek de stichting Ypsilon, maar ook het patiëntenplatform Mind voor hun niet aflatende inspanning om de zorg hieraan te herinneren. Alleen als we samenwerken kan Zero Suïcide dichterbij komen.

We hebben met elkaar nog een lange weg te gaan. Maar een beetje hoopvol mogen we zijn. In een gesprek dat ik een aantal maanden geleden met Jan Mokkenstorm had benadrukte hij dat de tijd rijp is voor een andere benadering van zelfmoord. Na jarenlang het liedje te hebben gezongen van eigen kracht en zelfredzaamheid, beginnen we in te zien dat dat loze kreten zijn als we niet ook oog hebben voor kwetsbaarheid en onvermogen. En beginnen we opnieuw de waarde van verbondenheid te ontdekken. Ik wens ons toe dat die stem van verbondenheid ook hier vanmiddag luid en duidelijk klinkt.

Jacobine Geel